PDF-versie voor persoonlijk gebruik

Recensie Dialogues des Carmelites

zondag 10 december 2017De Munt Brussel

Dialogues
Foto: Baus

Een uitgepuurde bloedmooie versie van Dialogues des Carmélites. Dat brengt de Franse regisseur Olivier Py (die eerder tekende voor Les Huguenots in 2011 en Hamlet in 2013) in de Munt op muziek van Francis Poulenc. Het is nog maar de tweede keer dat de opera in de Munt wordt opgevoerd, de vorige spelreeks dateert van 1959, twee jaar na de creatie van het werk dus. Het kleurbeeld dat Py gebruikt op de scène is al even sober als het leven van de Karmelietessen dat in het teken staat van armoede, gebed en afzondering. Grijs, zwart en wit zijn dan ook de hoofdkleuren waar ie voor kiest. Licht als hoop, donker voor de angst. Angst die in het lichaam van Blanche (de Belgische sopraan Anne Catherine Gillet) zit wiens moeder stierf. Ooit werd de koets waarin ze zat overvallen. Ze kon nog wel een kind baren maar stierf bij de geboorte van het kind. De opera is gebaseerd op waargebeurde feiten waarbij de Karmelietessen van Compiègne van verraad en samenzweren beschuldigd werden tijdens de Franse Revolutie. Om te voorkomen dat despote leiders nog aan de macht zouden kunnen komen, liet men de leden van de kloosterorde in Parijs publiekelijk onthoofden op wat nu het Place de la Nation is. Dat gebeurde op 17 juli 1794. De 16 martelaressen zongen voor ze gedood werden Psalm 117, Laudate Dominum omnes gentes. In 1906 werd de groep door paus Pius X zalig verklaard. Met in wit krijt geschreven woorden als ‘Liberté’ en ‘Egalité’ op de wand, klaagt de regisseur – terecht – net het gebrek aan vrijheid aan, en toont ie het machtsmisbruik tijdens een revolutie. De Franse dirigent Alain Altinoglu zet als muzikaal leider een puike prestatie neer waarbij het vrouwenkoor en de solisten ook prachtig tot hun recht komen tijdens exquise meerstemmige Latijnse gezangen, niet zelden a capella uitgevoerd overigens. Mannen- en vrouwenkoor komen in het tweede deel in deze regie ook letterlijk lijnrecht tegenover elkaar te staan wanneer ze respectievelijk: ‘Doe open! Doe open!’ zingen en ‘Niet opendoen! Niet opendoen!’ antwoorden. De mannen zingen vanuit de linker loge, de vrouwen uit de rechter. Py verwijst ook naar de schilderkunst met het Laatste Avondmaal én Het Lam Gods overigens. Na een – laten we eerlijk zijn – erg wisselvallig jaar voor de Munt op artistiek vlak, toont het Brusselse operahuis opnieuw wereldklasse. Een verademing.

Openen doet Dialogues des Carmélites wanneer Blanche thuis is en eraan denkt om in te treden in het klooster. Het levert in het eerste bedrijf een waanzinnig prachtig moment op wanneer een op alle vlakken uitmuntende Anne-Catherine Gillet als Blanche haar gelofte doet aan de priorin, hier neergezet door Sophie Pondjidis die last minute een zieke Sylvie Brunet-Grupposo moest vervangen. Beider stemmen blenden perfect wat resulteert in een van de vele sterke scènes van deze opera. Hendrickje Van Kerckhove mag als zuster Constance haar geloof in vraag stellen wanneer ze vindt dat het leek alsof God zich vergist had van persoon in de doodstrijd die de priorin heeft moeten voeren in haar ziekebed: ‘Wie had kunnen vermoeden dat het haar zo zwaar zou vallen om dood te gaan, dat het haar zo slecht af zou gaan! Het leek wel of de goede God zich had vergist en haar een verkeerde dood had toebedacht, zoals je in een garderobe de jas van een ander krijgt aangereikt. Ja, het moet de dood van iemand anders zijn geweest, een dood die haar te klein was, ze kon niet eens haar armen in de mouwen krijgen…’ Py laat de priorin die doodstrijd voeren waarbij we het bed, het nachttafeltje met glas water en bijbel erop, een kaars en stoel aan een muur zien hangen. Hier kiest ie voor de kleur wit overigens terwijl de rest van het klooster in zwart- en grijstinten gehuld is waarbij slechts sporadisch zonlicht door enkele spleten schijnt. Knap is bijvoorbeeld ook de overgang van de eerste scène van het eerste bedrijf naar de tweede, waarbij de vier wanden tegelijk opentrekken en zo een kruis vormen van lucht dat steeds groter wordt.

Verwijzen naar de angst die in Blanche zit doet het libretto dat gebaseerd is op de tekst van Georges Bernanos en tevens geïnspireerd is op de novelle ‘Die Letzte am Schafott’ van Gertrud von le Fort en een scenario van Philippe Agostini en R.V. Bruckberger wanneer de broer van Blanche haar ‘haasje’ noemt. Scenografisch versterkt Py de angst van het hoofdpersonage via schaduwen, zo schrikt ze van de schaduw van Thierry: ‘Ik denk dat ze eerst mijn schaduw op de muur zag.’ In de eerste acte zien we schaduwspel met mensen, een wiel van een koets, een bezem, een ladder, enz. verwijzen naar de aanval op Blanches moeder die naast diens dood kennelijk haar dochter tekenen. De schaduw van de stoel tijdens de doodstrijd van de oude Priorin is erg groot, en wanneer Blanche tijdens het Lam Gods nabootsen een beeldje met het Kindje Jezus laat vallen ziet ze daarin een teken dat de toekomst van het klooster niet al te best is. Blanche zal uiteindelijk geslagen worden wanneer ze als poetshulp aan de slag gegaan is wanneer de Karmelietessen moeten onderduiken. Moeder Marie (gezongen door de mezzosopraan Karine Deshayes) zal weliswaar de gelofte van martelaarschap zelf niet toepassen. Ze kijkt toe wanneer elk van haar kloosterlingen een voor een onthoofd wordt, hier visueel te zien tijdens een prachtig ‘Salve Regina’ waarbij elk personage een na een een slag krijgt (muzikaal door de trom uitgevoerd) en zo de dood tegemoet gaat, een backdrop in de vorm van een sterrenhemel. ‘Wees gegroet, Koningin, Moeder van barmhartigheid; ons leven, onze vreugde en onze hoop, wees gegroet. Wees gegroet, Koningin, Moeder van barmhartigheid; ons leven, onze vreugde en onze hoop, wees gegroet. Wees gegroet, Koningin, Moeder van barmhartigheid; ons leven, onze vreugde en onze hoop, wees gegroet. Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva; tot u smeken wij, zuchtend en wenend. Tot u smeken wij, zuchtend en wenend in dit dal van tranen, dit dal van tranen. Daarom dan, onze voorspreekster, sla op ons uw barmhartige ogen; en toon ons, na deze ballingschap, Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot. O goedertieren, o liefdevolle, o zoete maagd Maria. 5 Ere zij God de Vader, en de Zoon, die uit de doden‘, zingen ze dan. Als Constance (Hendrickje van Kerckhove) als laatste sterft, neemt Blanche het besluit om ook de guillotinedood te sterven. Solo zingt ze dan ‘Deo Patri sit gloria’ (Ere zij God de Vader, en de Zoon, die uit de doden is opgestaan, en de Trooster, in de eeuwen der eeuwen, in de eeuwen…). Haar angst, haar schaduwen weet ze dus te overwinnen zodat ze dezelfde dood als haar vader zal tegemoetgaan.

Wat zeer sterk is aan deze regie en opera is dat die een devoot thema op een consequente soms zelfs naar minimal neigende sterk uitgepuurde esthetische vorm weet te vertalen op het podium. Daarin schuilt iets zeer moderns, net zoals het schijnheilige kantje dat getoond wordt. Moeder Marie en de Aalmoezenier zullen geen kleur bekennen voor het volk en gaan de dood niet tegemoet: ‘Die gelofte van martelaarschap hebt u gedaan aan God, aan Hem bent u verantwoording schuldig, niet aan uw gezellinnen. Als het God behaagt u ervan te ontslaan, neemt Hij slechts terug wat Hem toebehoort.’

< Bert Hertogs >


Do you like our reviews and pictures?
Feel free to support concertnews.be by sharing this page or giving a donation.
You make an independent website like ours possible. Thanks!







Geef steeds in je comment mee op welk artikel je reageert.
Please put in your comment to which article you are responding.

Tabs Concertnews.be

News
Soon
Reviews

More news